Pagina's

20.4.11

A Man Within (film)



William Burroughs - A Man Within
film ● 21.4.11 ☼ 21u. @'t Blijvertje
3e Oosterparkstraat 64hs, A'dam
vrij entree


ASSIDUOSLY
'While burnishing the Burroughs mystique, A Man Within assiduously tries to humanize an author whom it is all too easy to view as an avenging nihilist, a black hole of icy misanthropic contempt. It goes into considerable depth about his homosexuality. A product of the pre-gay liberation era, he had a physical passion for Ginsberg that was mostly unrequited, and for most of his life relied largely on hustlers for sex.
His on-and-off heroin addiction and writings about drugs may have made him a hipster saint, nicknamed the pope of dope, but his message about heroin was a warning not to take it. He was obsessed with control, and for many years was controlled by his addiction.

Two family tragedies stalked him. In 1951, while playing a drunken game of William Tell in Mexico, he accidentally put a bullet through the head of his wife, Joan Vollmer, whom his friend, the poet John Giorno, says he loved deeply.
"I'm forced to the appalling conclusion that I would never have become a writer but for Joan’s death," Burroughs is remembered as saying. As a commentary, Burroughs is heard quoting from Edwin Arlington Robinson: "There are mistakes too monstrous for remorse."
In 1981 his son, Billy Burroughs, who had tried to emulate his father, died of acute alcoholism. It was the only time, Giorno says, he ever saw Burroughs weep.

Late in life Burroughs softened somewhat, recalls James Grauerholz, his companion and executor of his estate. They moved to Lawrence, Kansas where Burroughs, an avid gun fetishist, took up visual art and produced "shotgun paintings", by shooting a can of spray paint placed in front of a plywood board.'

New York Times

8.4.11

Roofgoed



● zo 17.4.11 ☼ 16 uur
't Blijvertje @ 3e Oosterparkstr. 64, A'dam
Ewald Vanvugt over ROOFGOED
+ special appearance by Mel Clay



N.Y. poet,(former Living Theater) actor and playwright Mel Clay
was among the Ruigoord squatters when living in Amsterdam
and edited for Ins & Outs a section on San Francisco
where he lives since the late 70s
(foto Dick Polak)




EUROPEES MUSEUM VAN OVERZEE GEROOFDE SCHATTEN
Het boek en virtuele museum documenteren hoe de landen van de Europese Gemeenschap wel degelijk een gezamenlijke identiteit bezitten. Allen hebben zij het startkapitaal voor hun welvaart met geweld opgehaald uit de andere werelddelen. Zonder overzeese roof geen Europa. En Nederland heeft z'n partijtje meegeblazen. Zo werd eind 1884 het eiland Lombok op bloedige wijze veroverd, een zege met een legendarische oorlogsbuit: 230 kg goudgeld, 7200 kilo zilveren munten en meer dan duizend kostbare ringen, krissen, kannen, juwelen. In 1897 triomfantelijk uitgestald in het Rijksmuseum en sindsdien opgeslagen c.q. 'verduisterd' in de kelders en depots van de Nederlandsche Bank en diverse musea.

De kunstschatten uit het Europees Museum belichten essentiële momenten in de geschiedenis van Europa's verovering en plundering van die andere werelddelen. Daarnaast bevat het de monumenten in diverse landen voor de dieven - naast portretten van Europeanen die indertijd bezwaar maakten.
Net als tal van andere culturen is Europa gegrondvest op diefstal en dwangarbeid, betoogt de schrijver. Tegelijk is alleen in Europa een traditie van kritiek op het eigen kamp ontstaan. Zoals ook de elite in talrijke samenlevingen zich verrijkte door slaven te houden, maar alleen Europa een anti-slavernijbeweging heeft gekend die ten slotte succesvol zou zijn. 





OPIUMKIT
Soms maakt een schrijver geschiedenis, schreef de Volkskrant in 1985 over Wettig Opium. Ewald Vanvugt had toen eigenlijk een ander boek willen publiceren: de historische reisroman De Val van Bali over de Nederlandse verovering van Bali in 1906. Deze zou twee jaar later uitkomen.
In 2006 verscheen een uitgebreide heruitgave, moést een heruitgave verschijnen, omdat zijn documentatie over de slachting van Bali door Nederlandse militairen in de officiële vaderlandse geschiedschrijving, twintig jaar na publicatie van het boek, nog steeds werd afgedaan als een zgn. collectieve zelfmoord der Balinezen.

Ewald Vanvugt was aldus andermaal een luis in de pels der beroepshistorici. Andermaal, want hij was dat dus eerder met Wettig Opium. Bij zijn onderzoek naar de verovering van Bali ontdekte hij namelijk dat deze in direct verband stond met de handel in opium. Terug in Nederland stroopte hij de archieven en bibliotheken af naar dit onderwerp, maar de Nederlandse opiumverkoop in Azië bleek totaal verdwenen uit de twintigste-eeuwse vaderlandse geschiedenis.

Via een voetnoot in de Tweede Kamerverslagen uit 1947 stuitte hij op een Indische opiumkroniek uit 1853 door J.C. Baud. Uit dit boek, dat de periode 1600-1800 van de V.O.C. behandelt, bleek dat het goud van Hollands Gouden Eeuw voor een belangrijk deel afkomstig was uit de overheidshandel in opium. De grote verdienste van Ewald Vanvugt is dat hij niet alleen deze studie aan de vergetelheid ontrukt heeft, maar tevens de kroniek heeft doorgetrokken naar de periode van de pacht (1800-1894) en naar de periode van de regie, van 1894 tot 1942 toen de Japanse bezetting een abrupt einde maakte aan deze inkomstenbron.

Vanvugt toonde aan dat ook in de anderhalve eeuw na de V.O.C. opium voor de Staat der Nederlanden geen vloek maar een zegen is geweest. Hij beschrijft de eeuwenoude Nederlandse maagd als opium-pusher; aan haar voeten stond de nationale leeuw met het zwaard in de ene en de papaverbol in de andere klauw.
Schuiven moesten de Javanen, en verslaafd raken aan belasting-betaling. Berekend is bijvoorbeeld dat in de periode 1876-1915 de koloniale balanstekorten opliepen tot 295 miljoen gulden, terwijl in hetzelfde tijdvak de opiumbaten 703 miljoen gulden bedroegen. Met andere woorden: zonder de opiuminkomsten zou het totale tekort tot bijna een miljard gulden zijn opgelopen. De kolonialen zouden wel naar huis hebben kunnen gaan.

Genoemde bedragen klinken nu nog astronomisch. Omgerekend naar deze tijd zouden ze niet te bevatten zijn. Wie de opium-corruptie van de V.O.C. wil kennen, wie het openbare debat in de 19de eeuw wil volgen, wie met de ambtenarij wil komma-neuken of met christenen visionair en tegelijk benepen wil zijn, wie de boekhouders wil nacijferen of de politieke poppenkast in de ethische jas wil volgen, wie de hilarische geschiedenis wil kennen van de Nederlandse regering als would-be opiumkok op zoek naar het recept van rookopium, en wie nu wil weten waarom de schuivers bij wet verplicht waren de prut uit hun pijpen terug te verkopen aan de Dienst der Opiumregie, hij of zij leze dit boek.


Opiumfabriek in Indië

Ook valt te lezen hoe de overheid nog in 1930 27 miljoen gulden verdiende aan de opiumhandel, terwijl officieel het gebruik bestreden werd voor de somma van 11.000 gulden - de ethische verpakking. In feite was deze ethische jas niets anders dan een vermomming: het beleid werd bepaald door het financiële belang van de staat.
In de Volkenbond, de voorloper van de Verenigde Naties, betoogde Nederland dat het gebruik van opium bestreden moest worden, maar in een fotoboek ter gelegenheid van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina plaatste het vol trots een foto van de opiumfabriek in het toenmalige Batavia, waar aan duizend contractarbeiders werk werd verschaft. Maar ja, het Huis van Oranje heeft dan ook grote schatten verdiend aan het verslaafd maken van de Javanen. In geheel Nederlands-Indië bestonden staatswinkels, waar wettig opium als warm brood over de toonbank ging.
De Nederlandse Handels Maatschappij heeft in de 19de eeuw een grote rol gespeeld bij de wettige opiumhandel in de Indische archipel. De N.H.M. is opgegaan in de Algemene Bank Nederland, dus je zou kunnen zeggen dat de A.B.N. is voortgekomen uit de opiumwinsten. De grootste drijfveer dit boek te maken was verwondering dat alle Nederlandse publicisten hierover al een eeuw zwegen. Men kan de verdwijning van de opiumgeschiedenis een geslaagde propaganda-manoeuvre van de overheid noemen, maar hier is niet mee verklaard hoe de geschiedenis van het slaapgom een eeuw kon slapen.<
Een eerste exemplaar werd destijds overhandigd aan drs. Jan Pronk, toenmalig adjunct secretaris-generaal van UNCTAD, dat conferenties organiseert waar voorstellen gedaan worden aan de V.N. over internationale handel en ontwikkeling, veelal m.b.t. de positie van arme landen.
Bij deze gelegenheid merkte Pronk op dat de overheidsrol bij de handel in verdovende middelen, zoals die van Nederland in de Indische Archipel, actueel was gebleven. De Verenigde Staten subsidieerden bijvoorbeeld in Columbia een anti-marihuana-campagne om de productie van marihuana in eigen land te beschermen.

Pronk: 'Voor een land als Columbia kun je constateren dat een zeer belangrijk deel van de cocaïne-productie mede plaats vindt via import uit omringende landen als Peru. Zo ontstaat een handelssysteem met verwerkingsprocessen voor de buitenlandse markt. We weten dat Columbia's inkomsten uit de handel in verdovende middelen twintig procent hoger is, dat is ruim een miljard dollar, dan de opbrengst van de koffie-export. De opbrengst blijft voornamelijk in het buitenland en wordt voor een belangrijk deel besteed aan de invoer van consumptiegoederen via dezelfde handelskanalen waarlangs de verwerkte cocaïne wordt uitgevoerd. Die consumptiegoederen vind je terug in het normale handelsnet, de groot- en kleinhandel. Dat betekent dat de autoriteiten daar een rol hebben gespeeld waardoor het illegale handelsnetwerk aansluit op het legale handelsnetwerk.'




Ewald Vanvugt (Den Bosch, 16.4.43)verzorgde een aantal exposities, zoals in 1994 'Sociale fotografie in Indonesië in de jaren 20' (Jakarta) en een jaar later 'Nestbevuilers' voor het Letterkundig Museum - over critici van het koloniale bewind in de Oost en de West', met portretten van Jacob Campo Weverman, Willem van Haren, Dirk van Hogendorp, Multatuli alsook een ongeflatteerd beeld van Jan Pieterszoon Coen.
Voor de Kunsthal te Rotterdam 'De schat van Lombok. Honderd jaar Nederlandse oorlogsbuit uit Indonesië' en in 1998 'Botje bij botje -  Menselijke resten uit musea'.

Uit 1993 dateert zijn publicatie Een propagandist van het zuiverste water. H.F.Tillema en de fotografie van tempo doeloe. Een verloren gewaand foto-archief opgediept door Vanvugt uit een museumdepot. In 2002 werkte hij mee aan een documentaire i.o. van het Nederlands Filmmuseum over Tillema.
Vanvugts eigen fotografie is in 2009 in bewaring genomen door het het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.



Een van de grondleggers van de kritische traditie is de bijna vergeten Johannes Wier (Wiër, Wierus of Weyer). In 1515 of 1516 geboren in Grave aan de Maas was hij al jong een gelovig protestant, maar niet fanatiek want sterk gevormd in de traditie van Erasmus. Hij groeide op in Grave en ging later naar school in ‘s Hertogenbosch. Na een studie medicijnen in Parijs had hij een dokterspraktijk in Grave. In 1550 werd hij hofarts van Willem V, de hertog van Kleef, wiens leraar Conrad von Heresbach een vriend was geweest van Erasmus.

Angst voor beheksing is van alle tijden, maar de heksenjacht groeide in de zestiende eeuw uit tot een massahysterie waaraan de autoriteiten van de universele Kerk en de plaatselijke regeringen volop deelnamen. Johannes Wier wordt hier geëerd als de eerste die in het autoritaire, christelijke Europa onverschrokken zijn stem verhief tegen de heksenjachten. Beschermd en aangemoedigd door zijn adellijke werkgever schreef hij het roemruchte De Praestigiis daemonum et incantationibus ac veneficiis (Over de begoochelingen van de duivel en betoveringen en vergiftigingen), dat in 1563 in Bazel verscheen.
Opgevoed en gevangen in de denkbeelden van zijn tijd aanvaardde Wier het bestaan van duivels, hekserij en de hele platonische geesteswereld, maar naar het voorbeeld van Erasmus stelde hij eigen waarneming en gezond verstand voorop. Sommige mensen bekenden uit zichzelf dat zij bij volle maan in het bos met mannelijke en vrouwelijke duivels hadden gedanst en dat zij op hun blote knieën de hoofdduivel onder zijn staart hadden gekust. Volgens Wier waren dit inbeeldingen die in hen ontstonden door een demon of door een ziekte.

Het voornaamste geloofspunt van de Kerk was en is dat ieder mens een leven lang de speelbal is van een wedstrijd tussen engelen en duivels, en dat de uitkomst van de strijd op aarde het eeuwige lot na de dood zal bepalen. De complete afschaffing van de duivel is binnen het christendom net zo ondenkbaar als afschaffing van God: ze zijn elkaars tegenpool, de een kan niet bestaan zonder de ander. De medicus Wier was de eerste die ter verdediging van 'heksen' uitvoerig over illusies of 'begoochelingen' heeft geschreven; hij is de vader van de psychiatrie genoemd.
 
De aanwezigheid in de wereld van de duivel stond vast, maar Wier deed veel van zijn macht af door zijn zogenaamde werken te verklaren als inbeeldingen van zwakzinnige of verwarde geesten. Hij benadrukte dat alle schuldbekentenissen van heksen over hun omgang met duivels waren afgelegd tijdens of onder bedreiging van martelingen. Later zei een medestander: `Dat wij nog niet allemaal hebben bekend dat we heksen zijn, komt omdat we nog niet zijn gemarteld.’

Aanvankelijk had Wier (1512-1588) zijn boek alleen aan vrienden toegestuurd. Eén correspondent prees hem in een dankbrief als 'een profeet van de verlichting'. Zijn beste vrienden riepen hem op het boek te herschrijven of te vernietigen. En zijn vijanden noemden hem een krankzinnige. Zijn oproep de heksen met rust te laten zou hem uiteindelijk zijn bestaan aan het hof van Kleef kosten. In 1577 laaide de collectieve waan weer hevig op. In een vervolg op zijn boek protesteerde hij opnieuw omstandig tegen de martelingen en executies van gepijnigde en verwarde mensen. Volgens Wier verziekten niet de heksen de samenleving, maar de heksenjagers.
Aan het hof van Kleef leefden en werkten onder de verdraagzame hertog Willem protestanten en katholieken, Spaansgezinden en Nederlandsgezinden samen. Geleidelijk kreeg de Spaanse factie de overhand en in 1578 trad Wier terug als hofarts. Het moet hem in 1581 pijn hebben gedaan toen hertog Willem verklaarde dat folter en de waterproef (water boarding) bij heksenprocessen opnieuw waren toegestaan.





DE DRIE TOPPERS
Hoog aan de gevel van kolos De Bazel aan de Vijzelstraat, het voormalige hoofdkantoor van de Nederlandsche Handelsmaatschappij, treft men naast elkaar en versteend drie beruchte toppers aan uit de repressieve bewindvoering der Nederlanders in kolonies oost en west. Van links naar rechts Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), Herman Willem Daendels (1762-1818) en de 'Pacificator van Atjeh' J.B. van Heutsz (1851-1924)










DE BANDA-EILANDEN
'Op de Banda-eilanden probeerde de V.O.C. het monopolie te krijgen op de verkoop van o.a. nootmuskaat. Dit lukte niet al te best. Afgedwongen afspraken werden geschonden en er waren concurrenten zoals de Britten.
Jan Pieterszoon Coen besloot er wat aan te doen. In 1621 verscheen hij voor de kust van het eiland Groot-Banda
(Banda Besar), maar zijn aanval werd afgeslagen met behulp van Engelse, tegen nootmuskaat geruilde kanonnen.
Bij een tweede aanval had Coen meer succes. Vervolgens werden 800 gevangenen als slaven afgevoerd naar Batavia. Het wachten was toen op een aanleiding voor verdere maatregelen. Op een nacht, zo wil het verhaal, viel in het Nederlandse kampement een olielamp om. Er ontstond paniek, want "de Bandanezen kwamen in opstand". Toen bewoners van het dichtstbijzijnde dorp na wat martelingen eenmaal hadden "bekend", was dit het teken voor Coen. Er volgde een bloedbad. Op alle Banda-eilanden vonden strafexpedities plaats, waarbij nauwelijks levens werden gespaard; 44 gevangenen werden na een showproces onthoofd en gevierendeeld door Japanse samoerai-huurlingen.

Een Nederlandse officier liet een verslag na: "De mensen stierven zonder ook maar een geluid te laten horen, behalve één die Nederlands sprak en zei: Heeren, heeft dan niemand van U medelijden? Alles wat gebeurde was zo afschuwelijk dat we erdoor verstomd waren. Alleen God weet wie gelijk heeft. Wij allen, als praktizerende Christenen, waren vervuld met afschuw over de manier waarop deze zaak werd afgehandeld en we hadden geen plezier in dergelijke aangelegenheden." (sic)
In 1635 werd gemeld dat vóór de komst van Coen circa 15.000 mensen op de eilanden woonden, waar er op dat moment slechts 1000 van over waren.'

Coen en de uitroeiing van de bevolking op de Banda-eilanden







HANDEL DEN CHRISTEN NIET GEOORLOOFT
'Van 1619 tot 1792 dreef De West-Indische Compagnie handel langs de Atlantische kusten van Amerika en Afrika. Met wisselende kansen werden suiker, zout en slaven verscheept. Slavenhandel was bij de oprichting geen oogmerk geweest, kaapvaart wel: geld en suiker veroveren op Spanje en Portugal, die onder Philips II in 1580 waren verenigd.

Maar de torenhoge winsten der Portugese slavenhandel konden de Heren XIX moeilijk ontgaan. Er kwam een commissie, er volgde rijp beraad. Gelijk kregen zij die zich op bijbelse grond verzetten tegen deze handel en haken en ogen voorzagen.
"Wat den handel in Angola aengaet, te weten van de swarten, is alsnoch bedencke­lijck dewijle men geen plaetse noch gelegentheijt heeft om deselve in Brasil of elders te gebruycken, behalven dattet schijnt dat die handel den Christen niet geoorlooft en is, welcke aengaende eenige naerdere onderrichtinge soude dienen gedaen."

Na 1635 trad een kentering in. Koloniale expansie bracht Nederland ertoe actief een eigen, geregelde slavenhandel op te zetten. Slavenschepen kapen van de Portugezen volstond niet langer en alternatieven ontbraken. Gods­dienstige bezwaren leken plotseling niet meer te bestaan. Evenals Portugal en Spanje stelde men zich nu op het standpunt dat heidense slaven dank zij hun omgang met christenen bevóórrecht werden door ken­nis te nemen van het enig ware geloof.

Chirurgijnen keurden de aanvoer door de zwarten in mond en anus te kijken. Willem Bosman, vijftien jaar als slavenhandelaar werkzaam aan de Goudkust, schreef in z'n memoires hoe aangevoerde slaven "op het allernauwkeurigste werden besigtigt en betast, tot het alderminste lid dat zy aen hun lighaem hebben, en dat Moedernaekt, so wel Vrouwen als Mannen, sonder eenig onderscheid of schyn van de minste schaemte."
De besten werden bijeengedreven en kregen een brandstempel met het monogram van de W.I.C. op de borst gedrukt. Volgens Bosman kon dat "wat wreed en half Barbarisch" lijken "doch echter dragen wy so veel mogelyke sorg, datse niet te hard werden gebrand, voornamentlyk de Vrouwlieden, die toch altoos wat teerder vallen."
De tweede keus, in handelstermen makrons genoemd, vormden ouderen dan vijfendertig jaar "of die aen armen, beenen, handen of voeten zyn verminkt; ook die een tand quyt zyn; die gryse haeren, of vliegen op de oogenhebben; alle die met Venus siekte zyn besmet, en veelerhande qualen meer."

Ondanks alle tegenslagen en ontberingen, een rampzalig klimaat en tropische ziekten waartegen geen medicijn bestand was, wisten Nederlanders zich bijna 300 jaar te handhaven aan de Goudkust (de Ghanese kustlijn tussen Axim en de Volta-rivier).

Elmina, naar de Spaanse benaming Sao Jorge da Mina, fungeerde op 5°2' noorderbreedte en 1°12' westerlengte als hoofdzetel der administratie.'







DE KONING VAN BRAZILIE
'De landheer Johan Maurits van vorstendom in wording Nassau-Siegen (1604-1679), was kort na vestiging in Den Haag begonnen met de bouw van het Mauritshuis en in geldnood geraakt, toen de Heren XIX van de W.I.C. langskwamen. Zij waren op zoek naar een bekwame c.q. zuinige Gouverneur. Maurits meende dat de heren een vorst voor een nieuw Overzees Rijk zochten.
In 1637 werd de landheer naar Brazilië uitgezonden, waar de Republiek enkele zogeheten steunpunten bezat, grondbezit dat de eerstvolgende jaren gestaag groeide. Weldra heersten Nederlanders ook over aangrenzende delen van de Atlantische Oceaan en Recife groeide uit tot het Batavia van de W.I.C. Bij de bevolking was Johan Maurits omstreeks 1640 dusdanig populair bij dat men hem tot koning van Brazilië uitriep.
Koning of niet, 4 jaar later werd "de Braziliaan" teruggeroepen: de W.I.C. vond 't welletjes, had hem uit zijn functie ontheven.'




Brandmerk: M (Maurits)



BATIG SLOT
'Aan de slavenhandel kwam in 1807 een eind. Slavernij werd binnen de Engelse koloniën rond 1833 afgeschaft, Frankrijk volgde in het revolutiejaar 1848. Beide landen beschikten over koloniën grenzend aan Suriname, waar grote onrust ontstond onder de planters en slaven van wie er velen nu konden vluchten.
Nederland ging pas in 1863 tot afschaffing over en ethische overwegingen speelden daarbij nauwelijks een rol. Doorslag gaf de financiële compensatie, het Batig Slot uit Nederlands-Indië.'


Een roofstaat aan de Noordzee...
dat spoorwegen bouwt van gestolen geld en tot
betaling de bestolene bedwelmt met opium,
Evangelie en jenever...
Aan U durf ik met vertrouwen te vragen of het
Uw wil is dat daarginds Uw meer dan dertig
millioenen onderdanen worden mishandeld en
uitgezogen in UWEN naam?
Multatuli
tot Nederland en Willem III
(1860)



Wereldtentoonstelling, A'dam 1885